RODAP en het auteursrecht

In de audiovisuele keten waarin de RODAP-partijen opereren spelen verschillende auteursrechten van makers een rol. Hiervan is het filmauteursrecht het belangrijkste, maar er zijn ook andere rechten. Hierbij een overzicht.

1. Filmauteursrecht

Een speelfilm (of televisiefilm/serie) is hét voorbeeld van een creatief product waarbij alleen het geheel, de som der delen,  waarde heeft en niet - of aanzienlijk minder - de losse delen. Een scenario zonder acteurs is niets, acteurs zonder het betreffende scenario kunnen misschien wel leuk zijn, maar leveren niet de beoogde speelfilm op. En een regisseur zonder acteurs en zonder scenario leidt ook tot niets. Alleen de gezamenlijke inspanning leidt tot het creatieve product. Het scenario kan op een boek zijn gebaseerd en dat boek is natuurlijk ook zelfstandig een creatieve prestatie. Maar een boek is nog geen film. En een scenario op basis van een boek wordt pas een film met de creatieve bijdragen van acteurs en de regisseur.

Centrale rol voor filmproducent 

De drie genoemde creatieve partijen komen niet vanzelf bij elkaar. Eén partij neemt het voortouw: de producent. Dit is de partij die de, veelal omvangrijke, financiële middelen bijeen gaat brengen. De producent zorgt dat aan de overige voorwaarden voor een succesvolle verfilming wordt voldaan: de beschikbaarheid van opnamen-locatie(s), decors, de crew & cast, etc. De producent kan dit alles doen omdat hij de mogelijkheden ziet om de film te exploiteren. Exploitatie via bioscoop, televisie, DVD-verkoop en tegenwoordig via online vertoning via VoD(Video on Demand)-diensten. Filmexploitanten betalen de producent, soms al vooraf, om een film te mogen vertonen. Deze inkomsten gebruikt de producent ter dekking van de productiekosten.

Makers dragen auteursrecht in de regel over aan producent

Hier komt dan ook het specifieke karakter van het filmauteursrecht om de hoek kijken. Om de producent in staat te stellen de noodzakelijke centrale rol te vervullen, is het filmauteursrecht ingevoerd. De basis hiervoor is neergelegd in de Berner Conventie. In de Nederlandse wetgeving is dit neergelegd in artikel 45d van de auteurswet. Kort gezegd bepaalt deze regelgeving dat makers die meewerken aan een filmwerk hun auteursrecht m.b.t. hun creatieve bijdrage aan het filmwerk, overdragen aan de producent. Dit is de hoofdregel, waarnaast maker en producent overigens wel onderling andere afspraken kunnen maken.

De dagelijkse praktijk is dus dat makers hun rechten overdragen aan de producent. Met de overdracht door de maker van zijn auteursrechten aan de producent, verplicht de producent zich om de maker een zogenaamde billijke vergoeding te betalen. Ook deze verplichting is in het artikel 45d vastgelegd. Gegeven het investeringsrisico dat de producent loopt is dit ook logisch. Zonder de exploitatierecten kan de producent geen financiers aantrekken of exploitatieovereenkomsten aangaan. Daar komt bij dat subsidieverleners, zoals het Filmfonds, als voorwaarde stellen dat alle rechten bij de producent liggen opdat duidelijk is waar de integrale exploitatie verantwoordelijkheid ligt.

Wetsvoorstel Auteurscontractenrecht

Dit wetsvoorstel is op 10 februari 2015 in de Tweede Kamer behandeld en door de Tweede Kamer aangenomen. Op basis van dit wetsvoorstel krijgen de belangrijkste makers – de hoofdregisseur, scenarist en hoofdrolspeler(s) – vergoedingsaanspraken bij exploitanten die aanvullend zijn op de hierboven genoemde billijke vergoeding. Lees hier meer over dit wetsvoorstel.

2. Muziekgebruik in audiovisuele producties

Op de muziek die in audiovisuele producties wordt gebruikt, rusten veelal ook auteursrechten. De meeste Nederlandse componisten en tekstdichters zijn aangesloten bij Buma/Stemra en hebben hun rechten veelal ook aan Buma/Stemra overgedragen. In het buitenland geldt veelal een gelijke situatie; in België is er SABAM en in Duitsland GEMA. Al deze “Muziek CBO’s” hebben onderlinge wederkerigheidsovereenkomsten. Op basis van dit stelsel kan Buma in principe een regeling voor het wereldwijde muziekrepertoire treffen. Er bestaat overigens ook muziek die niet valt binnen het repertoire van Buma/Stemra. Voor het openbaar maken van muziek in audiovisuele producties, zoals dat door de partijen in de RODAP-keten wordt gedaan, moeten er regelingen worden getroffen met Buma/Stemra. 

Anders dan bij andere werken dragen makers van muziekwerken (de componist en/of tekstschrijver) hun vertonings- en reproductierechten niet standaard over aan de producent van het filmwerk. Bij speelfilms wordt veelal wel specifiek voor de film muziek gecomponeerd, maar bij veel televisieprogramma’s wordt gebruik gemaakt van bestaande muziek. Het verdienmodel voor muziekmakers is het gebruik van de muziek in allerlei vormen waarbij gebruik in audiovisuele producties meestal maar beperkt is. Muziekmakers krijgen in tegenstelling tot de andere makers dan ook geen (billijke) vergoeding voor exploitatie van de filmproducent.

Ook de uitvoerend musici die hebben meegewerkt aan muziek op commerciële fonogrammen hebben in de jaren negentig van de vorige eeuw recht gekregen op een vergoeding. Deze vergoedingsaanspraak kan uitsluitend collectief via de betreffende CBO (Sena) worden uitgeoefend. Voor Sena geldt dezelfde internationale structuur als voor Buma.

3. Beeldende kunstenaars en fotografen

Een derde categorie makers die in beeld komt bij audiovisuele producties is die van beeldende kunstenaars en fotografen. Het gaat hierbij nagenoeg altijd over het gebruik van bestaand werk, dat niet speciaal voor een filmwerk is gemaakt. Bijvoorbeeld een foto, een schilderij of een werk van een beeldende kunstenaar dat in een audiovisuele productie wordt gebruikt. Met fotografen worden in principe vooraf afspraken gemaakt over het gebruik van een foto in een programma. Voor het verdere gebruik, maar ook voor het gebruik van werken van andere beeldende kunstenaars, wordt een regeling met de CBO Pictoright gesloten.